En nee, dit is geen citaat van mijzelf. Afgelopen week gaf ik les aan een vmbo-klas over erfgoed. Het was de eerste les van een serie van drie, waarin het concept ‘erfgoed’ eigen gemaakt wordt. Bij de vraag wat wel of geen erfgoed is – of monument – had ik de Ayasofya-Westermoskee in Amsterdam-West laten zien, een gebouw dat in 2015 werd geopend. Dit kon volgens een van de leerlingen geen monument zijn, want het is een moskee.

De leerling die dit zei, was zelf geen moslim, en bij mij gingen meteen alle politieke alarmbellen af. Oei, hoe pak ik dit op? Mijn wedervraag: “Kunnen geloofshuizen volgens jou wel monumenten zijn?” “Nee,” was het antwoord, “dat is respectloos.” Dus een kerk ook niet? Opnieuw een “nee”, want daar ga je bidden, daar kun je toch geen toeristen naartoe sturen? Of heen laten gaan om foto’s van te maken? Dat is respectloos.

Sinds afgelopen donderdag weet ik dat ik op reis blijkbaar heel respectloos ben geweest als het gaat om geloofsgebouwen, ongeacht de religie die daar wordt beleden. Het vraaggesprek was nog niet ten einde, want ik dacht: hier zit een relatie tussen monument en toerist. Daarom vroeg ik door: “Vind jij een monument iets voor toeristen?” “Ja,” was het volmondige antwoord, en dat werd verder helder uitgelegd. Monumenten zijn voor toeristen.

De tijd dat ik actief werkte in de wereld van monumentenzorg en publieksbereik ligt al bijna tien jaar achter me. Toen net als nu was het doel om een breder publiek te bereiken voor monumenten. Ons erfgoed is van iedereen. “De molen is ook van jou, van mij, van ons,” was de onderliggende boodschap. Deze leerling van dertien jaar oud vatte de miscommunicatie kort samen: “Monumenten zijn voor toeristen, niet voor mij.”

De leerlingen begrepen verder de fijngevoeligheid rondom cultuur, culturele identiteit, culturele toe-eigening en respectvol omgaan met tradities volledig. Ze konden dit in eigen woorden vertalen naar hun eigen leven. Alleen het bezoeken van historische gebouwen, erfgoed en musea is geen onderdeel van hun leven. Wel specifieke gerechten, kleding en andere culturele onderdelen.

Binnen de erfgoedsector wordt vastgehouden aan onroerend goed zoals huizen, herinneringsmonumenten, landschappen en kunstvoorwerpen die vooral niet mogen veranderen. Aan deze objecten hangen we een prijskaartje: erfgoed mag wat kosten. 150 miljoen euro voor een Rembrandt is geen probleem, een monumentale woning is duurder dan een huis zonder die status.

De culturele elementen die vluchtig zijn, die bestaan door overdracht tussen ouder en kind, geen geld kosten om te behouden, worden minder gewaardeerd. Juist door de nadruk te leggen op ons immateriële erfgoed, wordt onze geschiedenis tastbaarder en toegankelijker voor velen. Geen entreekaartje, wel samen doen. Niet iets exclusiefs in een museum, maar samen op straat. Laagdrempelige tradities zijn voor ons allemaal. Maar Nederlandse tradities en cultuur? “Dat is cringe,” betoogde een andere leerling. Blijft toch lastig, erfgoed.