Heeft kunst de taak om een dialoog te openen, zoals Belu-Simion Fainaru stelt? Verbeeldt de kunstenaar de tijd waarin hij leeft, zoals Khaled Sabsabi suggereert? En in hoeverre is een kunstenaar verantwoordelijk voor de politieke standpunten van het land dat hem of haar afvaardigt – zoals het geval is bij Robert Lazzarini en Alma Allen (Verenigde Staten), Gabrielle Goliath (Zuid-Afrika), Sabsabi (Australië) en Fainaru (Israël)?

Waar deelname aan de Biënnale van Venetië ooit gold als een van de hoogst haalbare plekken in de kunstwereld en een garantie voor een glansrijke carrière, lijkt deze editie vooral de vraag op te roepen of deelname niet meer schaadt dan goed doet.

Een bezoek met morele vraagtekens
De afgelopen jaren is een bezoek aan de Biënnale steeds meer verbonden met reflectie: moeten we dit eigenlijk nog wel bezoeken? Eerst was er het overtoerisme in Venetië, vervolgens de milieugevolgen van onze reis, en daarna de koloniale systemen en uitbuiting die met een bezoek gepaard gaan. In 2022 trok Rusland zich terug uit de tentoonstelling vanwege de oorlog in Oekraïne, terwijl Oekraïne juist meer zichtbaarheid kreeg. Sinds 2024 staat de aanwezigheid – of afwezigheid – van Israël centraal, met protesten tijdens de openingsweek bij het Israëlische paviljoen.

De politieke druk is zelden zo voelbaar geweest als bij deze editie. Net als het Eurovisie Songfestival streeft de Biënnale naar een zo politiek vrij mogelijk evenement. De organisatie houdt zich op de vlakte en laat alle deelnemers toe die zich aanmelden. Maar net als bij het Songfestival komt de druk van buitenaf: op kunstenaars, curatoren en bezoekers.

In oktober riep de Art Not Genocide Alliance op tot een boycot van de Biënnale als Israël zou deelnemen. Deze groep, die ook achter de pro-Palestina-protesten tijdens de persdagen in 2024 zat, richtte zich tot de kunstenaars die hun werk zouden presenteren. Tot nu toe heeft geen enkele kunstenaar gehoor gegeven aan deze oproep.

Teruggetrokken voordrachten en politieke angst
Wel trokken enkele landen hun initiële voordrachten in om controverse te voorkomen. Zuid-Afrika haalde begin januari Gabrielle Goliath van de lijst, omdat haar werk te kritisch was over het Israëlische beleid in Palestina – opvallend voor een land dat Netanyahu zelf heeft gedaagd voor het Internationaal Strafhof. Australië trok Khaled Sabsabi en curator Michael Dagostino terug uit angst voor reacties uit extreemrechtse hoek. Na grootschalig protest en ontslagbrieven van de selectiecommissie werden beide makers uiteindelijk alsnog voorgedragen.

In de Verenigde Staten speelden andere factoren een rol. Robert Lazzarini en curator John Ravenal hadden samen met de University of South Florida’s Contemporary Art Museum een voorstel ingediend dat zowel conceptueel als eigentijds was. Financiële redenen leidden echter tot terugtrekking. Vervolgens droeg de regering-Trump Alma Allen voor. Art News omschrijft zijn werk als volgt: “Zijn beeldhouwwerk sluit naadloos aan bij Trumps esthetiek: zonder menselijke vorm, glanzend als duur metaal en monumentaal van formaat.” Na zijn acceptatie brak zijn galeriehouder met hem – de associatie met Donald Trump was te riskant.

Israël is deze editie opnieuw aanwezig, vertegenwoordigd door Belu-Simion Fainaru. Hij exposeerde eerder, in 2019, namens Roemenië op de Biënnale. Het werk dat hij toen toonde, krijgt nu een vervolg in het Israëlische paviljoen – al is Israël deze keer niet in haar eigen paviljoen te vinden, maar op de Arsenale. Een locatie die minder makkelijk kan worden afgesloten, zowel door de organisatie als door de kunstenaar zelf.

Is alles politiek?
Met deze editie lijkt alles politiek geladen. Maar is dat de huidige rol van kunst? Cijfermatig gezien zijn er slechts drie landen (Zuid-Afrika, Australië en Israël) die om politieke redenen extra aandacht krijgen. Rusland is wederom afwezig, Oekraïne is de afgelopen jaren altijd politiek geladen geweest, en de Verenigde Staten zijn niet door de kunst, kunstenaar of curator een omstreden deelnemer. Dit op een totaal van 43 landen waarvan nu (23 januari 2026) bekend is dat zij deelnemen.

Daarom opnieuw de vraag: welke rol heeft kunst? Zegt het politieke karakter, de kans op agressie, de gekrente zielen misschien veel meer over de beschouwer dan over de maker? Is dat juist de rol van de kunstenaar, dat hij/zij/hen ons confronteert met onze normen en waarden?  En kunnen wij ook over onze eigen schaduw heenstappen en een kunstwerk strippen van het verhaal en het werk ‘gewoon’ mooi of lelijk vinden?

Dat de kunst steeds meer lading krijgt, is ook een gevolg van de positie binnen onze samenleving. De behandeling van kunstwerken schurkt steeds meer tegen de positie van een heilig relikwie: de een gruwelt van het restje lichaam, de ander ziet er een tastbaar bewijs van een wonder in of een object dat is aangeraakt door de heilige maker. Inmenging in deze bijna religieuze context is een vorm van blasfemie, staat en kunst horen gescheiden te zijn.

Gelukkig ook nog iets vertrouwds. 
Gelukkig is er ook ruimte voor het vertrouwde van de kunstwereld, de abjecte of schokkunst. Het Oostenrijkse paviljoen presenteert kunstenaar Florentina Holzinger. Afgelopen jaar moesten achttien bezoekers na haar voorstelling worden behandeld voor misselijkheid en schok. Deze schoktherapie doet ons dan wellicht weer verlangen naar de glanzende, monumentale werken van Alma Allen, ondanks dat hij een Amerikaan is.

©Afbeelding, alle foto's KaperGerlings Instituut. Met de klok mee, startend linksboven: de paviljoens van Israël, Australië en Oostenrijk.